De Momussocieteit

momus logo
In het jaar 1839, de staat van beleg ten gevolge van de Belgische afscheiding hoort eindelijk tot het verleden,  krijgen vier  mannen, te weten Louis Polis, de twee gebroeders Stiel en J. Naus, van de Maastrichtse stadscommandant Andries des Tombes toestemming om bij gelegenheid van carnaval een optocht te organiseren.
Het weinig carnavaleske thema is de reprise van de “blijde intocht van keizer Karel V in Maastricht op 20 mei 1520”. De optocht wordt een dermate groot succes dat  het franstalige Journal du Limbourg reeds in maart weet te melden dat op korte termijn de oprichting van een vereniging zal plaatsvinden “die het hare zal bijdragen aan de toekomstige vastenavondsvieringen”.

Op 2 december 1840 vindt de officiële installatie plaats en is de societeit Momus een feit. De societeit heeft een grondwet met elf artikelen,  waarvan artikel één aanmoedigd om toch vooral de moedertaal, het Maastrichtse dialect, in woord en geschrift te bezigen. Dit consequent gebruik van het dialect is van wezenlijke betekenis gebleken voor de  instandhouding van het dialect.
Gedurende het seizoen, dat loopt van november t/m oktober is een veelzijdig aanbod van activiteiten.
Culturele activiteiten, waarbij grote  gezelschappen uit Parijs, Luik, Verviers en Aken in het kleine stadstheater “de Bonbonniere” regelmatig acte de presence geven, vormen samen met de bals, de concerten het carnavals- en zomerfeest, een vast onderdeel van het seizoens-programma.

Door al deze uitbundigheid heen loopt vanaf de begin- jaren de rode draad van  de chariteit, die in het societeitsdevies “Plezeer en Sjariteit” ligt verankerd.Men heeft een “armenkas” van waaruit in extreme situaties hulp wordt geboden, die overigens niet beperkt blijft tot de stad, maar ook bij rampen elders gelden ter beschikking stelt. Landelijk beroemd is de soepkokerij waar de armen tot het voorjaar van 1918 gedurende de winterperiode met een  soepbon, die “ter verdeling” door de Momussen  voor acht centen worden gekocht of, bij betaling uit eigen beurs,  voor vier centen een portie soep krijgen. Het aantal verstrekte porties bedraagt soms méér dan 35.000 per seizoen.

Bij gelegenheid van het gouden Momusjubileum in 1889 wordt het Momus Oudemannenhuis  in gebruik genomen dat ruimte biedt voor 20 bewoners, inclusief verzorging bij ziekte. Wie Momus zegt, zegt carnaval. Tot aan de komst van de Momussocieteit in 1839 heeft het carnavalsgebeuren in Maastricht weinig of geen structuur. Véél dronken arme sloebers op straat terwijl de gegoede burgerij zich  in de vele societeiten die de stad rijk is vermaakt. 

Ter illustratie het Carnavalsprogramma van 1866.

Zondag 11 februari.
Om 12.00 uur inschieten van carnaval door de Marchal-Vuurwerker met twee keer XI schoten. Hierna volgt de grote uitdeling van wittebroodbonnen aan de armen. Voor de Momussen zelf is in de middag een bijzondere pufferkesvergadering met muziek en optredens en’s avonds een groot gecostumeerd bal.

Maandag 12 februari.
Om 13.00 uur vertrekt de Grote Optocht vanaf het Artillerieplein aan de Tongersestraat met maar liefst XI maal XI wagens en CXI maal XI ruiters te paard, alles min of meer ten voordele van de armen.

Dinsdag 13 februari.
Om 12.00 uur:  uitdeling van roggebrood aan de armen.  Naast het carnavalsgebeuren is Momus nog bij tal van andere zaken betrokken. Men organiseert  feesten  bij gelegenheid van konings verjaardag, activiteiten van derden worden gehonoreerd met prijzen en medailles  en men stuurt zelfs -voor rekening van de societeit- een groep ambachtslieden naar de wereldtentoonstelling in Parijs. 

Op 4 september 1898 wordt ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina op het Vrijthof een groot vuurwerk ontstoken. Het zelfde gebeurt op 13 september 1905 als prins Hendrik Maastricht bezoekt. Na afloop van het vuurwerk wordt de prins in de Momustempel ontvangen, waar hem de hoge Momus-onderscheiding “Groot-Officier in de orde van de Windmolen” wordt uitgereikt. Bijzonder succesvol zijn de grote internationale toneel-wedstrijd, de kunsttentoonstellingen met werken van nationale en internationale kunstenaars, maar evenzeer de grote turnmanifestatie, waarvoor het Vrijthof in een grote gymnastiekzaal veranderd.
Kortom, er gebeurt maar weinig in Maastricht waar Momus niet een flinke vinger in de pap heeft. 

Na de eerste wereldoorlog, binnen de societeit heerst een taboe inzake dit onderwerp, raakt de fut er een beetje uit. Het ledenaantal loopt gestaag terug ten gevolge waarvan grote financiële problemen ontstaan die men nauwelijks en met véél lapwerk de baas kan. In 1932 is de financiële situatie zelfs zo nijpend dat het  bestuur in principe tot liquidatie besluit. Zo ver komt het echter niet. Met moeite sleept Momus zich naar het jaar 1939 waarin het eeuwfeest wordt gevierd. Daarna wordt het stil en verdwijnt, mede door de beperkende maatregelen van de 2e wereldoorlog,  deze pur-sang maastrichtse societeit Momus geruisloos in de analen van de historie. 

Op het Vrijthof herinnert de machtige gevel van de “Momustempel” nog altijd aan de imposante en kleurrijke historie van deze ooit beroemde en sociaal-bewogen societeit.

Wat verder bewaard bleef dat zijn de elf schoten met het Momuskanon op carnavalszondag en het devies “plezeer en sjariteit”, waarmee de stadsorganisatie de Tempeleers  een stukje Momustraditie in eren houden.